Oorlogsvoering

 

Dat de Mongolen zo'n groot rijk wisten te veroveren hadden ze niet te danken aan een grote legers, maar aan gedisciplineerde en geharde soldaten, uitstekende wapens en bescherming en bovenal perfect uitgevoerde oorlogstactieken. Bij bijna elke slag die de Mongolen voerden en wonnen waren ze in de minderheid. Toch lieten de Mongolen zich hierdoor niet beïnvloeden. Ze geloofden niet in aantallen, maar in de kracht van individuele soldaten en de competentie van de officieren. De officieren moesten allemaal perfect geschikt zijn voor hun taak. Het decimale stelsel van de Mongolen was er op gebaseerd dat de aanvoerders van elke arban, jagun, Minghaan en Tumen in staat waren om individueel hun soldaten aan te voeren. Dit hield in dat generaals soms geen orders meer gaven en de opdracht gaven dat de leiders van alle Minghaans (1000 soldaten) mochten doen wat ze wilden. Hierdoor maakte de vijand, die vaak maar één generaal had, geen kans.
Omdat de Mongoolse militaire macht rustte op de kwaliteit van zijn officieren, konden de Mongolen het zich niet veroorloven om officieren aan te stellen die niet geschikt waren voor hun taak. Dit gebeurde vooral in Europa heel veel. De hoge militaire functies bleven in handen van de adel, waardoor de echt goede officieren laag in rang bleven. Een belangrijke verklaring voor de militaire kracht van de Mongolen is dus de meritocratie. Iedereen die de vaardigheden bezat om een officier te worden werd gepromoveerd, en anders niet.

 

Wapens

 

De standaarduitrusting van de Mongolen bestond qua wapens altijd uit een of twee bogen, een zwaard en soms werpbijlen. Verder hadden de soldaten die in de frontlinie vochten vaak nog een lans. Iedereen in het Mongoolse leger moest touw hebben, naald en draad, een slijpsteen en verschillende kokers met pijlen. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste wapens van de Mongolen.

 

Composietboog

Al sinds 1500 v.Chr. werd de composietboog gebruikt, misschien zelfs nog wel eerder. Hoewel de boog vaak is aangepast door verschillende volken is hij nooit heel erg veranderd. Vrijwel alle ruitervolken hebben de composietboog gebruikt, dit is dan ook de belangrijkste reden dat deze ruitervolken vaak zo succesvol waren. Bekende voorbeelden van ruitervolken die de composietboog gebruikten waren Scythen, Sarmaten, Parthen en Hunnen. Maar vanwege het succes van de composietbogen werden de bogen al snel overgenomen door andere beschavingen zoals China en Egypte. Er zijn als bewijs hiervoor verschillende composietbogen gevonden in het graf van Toetanchamon.
Later pasten de Hunnen de boog aan, waardoor hun composietboog de krachtigste boog uit de oudheid werd. Dit kwam omdat de boog niet symmetrisch was. De bovenkant en de onderkant waren dus niet even lang. De volgende belangrijke verandering kwam van de Mongolen. Zij pasten niet het wapen zelf aan, maar het gebruik ervan. Hoewel de ruitervolken altijd al de composietboog hadden gebruikt, was het nog nooit zo intensief als bij de Mongolen. De Mongolen maakten van de composietboog hun belangrijkste wapen, terwijl bij veel andere ruitervolken dit nog bijvoorbeeld de lans was. 
De composietboog komt voor het laatst voor in de geschiedenis in het Ottomaanse rijk. De Ottomanen pasten de composietboog nog verder aan, waardor het wapen nog effectiever werd. Maar langzaam werd er steeds minder gebruik gemaakt van de composietboog, tot het uiteindelijk alleen nog maar een sport werd, die vooral in Mongolië wordt beoefend.

 

De composietboog bestond uit hout, hoorn en pees. De boogpees werd gemaakt van pees of paardenhaar. Een groot voordeel van de boog was dat hij geen gevaar liep om te verslappen als hij gespannen bleef, wat wel het geval was met de westerse bogen. Met de composietboog kon volgens sommige bronnen meer dan 500m ver worden geschoten. Dat klinkt indrukwekkend, maar over zo'n grote afstand had de pijl geen enkel effect. De maximale afstand voor een effectief schot, de zogenaamde "effective range", lag rond de 175 meter. Maar voor een optimaal schot was 50-70 meter ideaal. Elke Mongoolse soldaat had minstens één boog, samen met een koker voor de boog en en de pijlen. In de koker zaten tussen de 30 en 150 pijlen. Ze hadden altijd verschillende soorten pijlen. Zo waren er bijvoorbeeld pijlen die speciaal gemaakt waren om harnassen te doorboren, pijlen voor lange afstanden en signaalpijlen die een fluitend geluid maakten. De boog was ideaal voor het schieten vanaf de rug van een paard. De Mongoolse ruiters hadden zichzelf aangeleerd om te schieten wanneer alle hoeven van het paard van de grond af waren. Op dit punt kon de schutter met de meeste precisie schieten. Omdat er ontzettend veel kracht voor nodig was om de boog te spannen, hadden de Mongolen hiervoor een eigen techniek. Zij gebruikte de duim, de sterkste vinger, om de boog te spannen. Een ander verschil met de westerse manier van spannen is dat de Mongolen de boogpees bij het spannen helemaal doortrokken tot achter het rechteroor. De meeste ruitervolken trokken de pees tot het gezicht en de Romeinen kwamen niet verder dan de borst. Omdat het een hele kunst was om een composietboog te spannen, laat staan te schieten en ook nog eens te mikken, brachten vrijwel alle Mongoolse mannen (en vrouwen) de dag door met trainen. Hierdoor was het dat bijna elke Mongool een enorm gespierde rechterarm had, in tegenstelling tot de linkerarm.

 

Sabel

Voordat de Sabel in trek kwam bij de ruitervolken gebruikten ze korte, rechte zwaarden. Deze waren niet effectief vanaf het paard en werden dus ook alleen gebruikt wanneer ze te voet moesten vechten.  Later werd de sabel het favoriete wapen van de ruitervolken. Door de lichte kromming zijn ze ideaal om vanuit het zadel te vechten. Ze waren dus bedoeld om flinke slagen mee uit te delen. Steken vanuit het zadel is heel erg onpraktisch. De sabel werd waarschijnlijk voor het eerst gebruikt door de Avaren, ergens rond de 8e eeuw. Al snel namen de Magyaren (Hongaren) deze techniek over. Vervolgens brachten de Magyaren de sabel in de 10e eeuw naar Europa, waar het al snel heel populair werd. Op deze manier stammen waarschijnlijk de volgende types zwaarden van de Mongoolse sabel af: de Perzische shamshir, de Arabische saif, de Indische talwar, de Afghaanse Pulwar, de kromsabel (scimitar) uit het Midden-Oosten, de Turkse Kilij, de Poolse szabla (alle soorten hiervan) de Europese hartsvanger (cultlass) en dus de Europese Sabel.

 

Andere wapens

Andere veelgebruikte wapens van de Mongolen waren de lans, lasso, kleine werpbijlen en knotsen. De lans werd gedragen door de zware cavalerie en werd gebruikt tegen de zware cavalerie van de vijand. De Mongoolse lans is anders dan de lansen van andere ruitervolken omdat het korter is en omdat er achter de punt een haak zit, die werd gebruikt om andere ruiters uit het zadel te trekken.
De lasso is een typisch Mongools wapen die niet zozeer werd gebruikt in een veldslag, maar meer bij ontvoeringen. Aangezien de Mongolen enorme kuddes paarden bezaten, moesten ze regelmatig paarden vangen met de lasso, waardoor ze heel goed leerden omgaan met de lasso.
Verder werden de werpbijlen niet door alle Mongolen gebruikt, maar alleen door bepaalde groepen. Over het algemeen was het geen geliefd wapen, en het werd dus ook niet heel veel gebruikt. Maar omdat sommige stammen de werpbijlen gebruikten voordat Djengis Khan ze verenigden, bleef deze traditie bestaan. Knotsen werden alleen gebruikt door soldaten te voet, zoals bijvoorbeeld de keizerlijke wacht.