Hersenspinsels

 

Geografie

 

Wat is de geschiedschrijving anders dan het tekenen van lijnen, punten en strepen op een kaart? Als cartografen verkennen historici onbekend gebied en trachten zij die samen te vatten in pennenstreken. De inkt is vloeibaar en tijdig, maar de kaart als ontvanger van de inkt is eeuwig. Niet eeuwig en onbeweeglijk, want ook de kaart beweegt zich en verandert, maar op een tijdschaal niet te bevatten voor de hand met de inkt. Laten we dan eerst kijken naar de kaart, waar zovelen hebben getracht hun lijnen te plaatsen. De kaart waar ieder mens zijn eigen lijn uitzet, om eeuwen later te worden samengevoegd in één grote inktvlek. Die kaart is waar wij beginnen, nog zonder te strepen of te overgieten met inkt. De kaart van Eurazië is het uitgangpunt om alle individuele stippen en krassen te kunnen begrijpen. Voordat wij ons wenden tot de Mongoolse nomaden aan de oevers van de Onon beginnen we bij het Euraziatische continent en de plaats van Centraal-Azië in de wereldgeschiedenis. Het is wellicht verstandig om te beginnen met een definitie van het begrip Centraal-Azië.


De termen Centraal-Azië en Midden-Azië worden gebruikt om een gebied aan te geven waarvan de precieze definitie geenszins vaststaat. Het zijn virtuele handvaten om te helpen bij het afbakenen van een gebied. De gebruikte definities kunnen ontstaan uit geografische, sociale, economische of ecologische overwegingen en verschillen al naar gelang het doel van de auteur. De termen zijn lastig omdat traditionele grenzen zoals die van landen of continenten geen rol spelen. Om te beginnen is het nuttig de twee termen van elkaar te onderscheiden. Anatoli Khazanov, de Russische autoriteit op het gebied van Centraal-Aziatische geschiedenis maakt een scherp onderscheid tussen Centraal- en Midden-Azië. Voor hem wordt Midden-Azië begrensd door de Kaspische Zee in het westen, het Pamirgebergte in Tadzjikistan in het oosten, het Aralmeer in het noorden en de Hindu Kush in Afghanistan en Pakistan in het zuiden. Centraal Azië daarentegen bestaat uit het hoger gelegen Mongolië, het westen van China en Tibet.(1) Deze definitie biedt een goed handvat en het onderscheid tussen deze twee regio’s is terecht. Toch zijn er een aantal gebreken bij het hanteren van deze nauwkeurige definitie. Ten eerste vallen verschillende gebieden die in historisch en geografisch opzicht onafscheidelijk zijn van Centraal- en Midden-Azië buiten de boot. Dit zijn bijvoorbeeld Mantsjoerije, grote delen van Siberië en delen van Oost-Europa. Daarnaast zijn grenzen altijd vloeibaar en bestaan ze op enkele grote geografische barrières na niet uit een afgebakende lijn maar uit gradiënten, ofwel geleidelijke overgangen. Het vaststellen van een precieze definitie kan dus verraderlijk zijn in historisch onderzoek omdat in een bepaalde periode deze gradiënten wellicht heel anders lagen.


Om een definitie te construeren die toepasbaar is op de hele geschiedenis moeten we ons gezichtsveld vergroten en kijken naar het hele Euraziatische continent. Een blik op de kaart laat zien dat de grote agrarische samenlevingen zijn ontstaan aan de rand van dit continent: grofweg Europa, het Midden-Oosten, het Indiase subcontinent, Zuidoost-Azië en Oost-Azië. Denis Sinor gebruikt dan ook de term Centraal-Eurazië om het binnenland aan te geven dat wordt omringt door de agrarische samenlevingen.(2) De grens is cultureel maar ook geografisch van aard. De agrarische samenlevingen ontstonden in gebieden met een mild klimaat die geschikt zijn voor intensieve landbouw. In het binnenland is het klimaat extremer en omstandigheden ongeschikt voor intensieve landbouw, waardoor men er andere levenswijzen had, waaronder het nomadisme. De definitie van Centraal-Eurazië is daarom niet alleen cultureel en geografisch, maar vooral economisch. In het binnenland waren de geografische omstandigheden niet geschikt voor intensieve economieën, waardoor men overleefde door extensieve middelen zoals veeteelt, jacht en landbouw op kleine schaal(3). Het onderscheid tussen de verschillende economieën ligt geenszins vast en wordt niet volledig bepaalt door de geografie. Het landschap en het klimaat zijn het kader waarin de samenlevingen zich bewegen, de parameters waarbinnen de mens zijn leven kan vormen. Binnen die parameters zijn de keuzes die de mens kan maken onbeperkt. Hoewel de geografie de parameters bepaalt zijn het de samenlevingen die de keuzes maken in hoe zij de geografie gebruiken om te overleven. Grote delen van Centraal-Eurazië zijn geschikt voor meerdere vormen van voedsel vergaren en hebben daarom brede parameters. De landbouwer kan nomade worden, de nomade kan jager worden, niets staat vast. Alleen in de kerngebieden zijn de parameters zo nauw dat er maar één voor de hand liggende oplossing is. Zo werden grote gebieden van de steppe gedomineerd door de nomaden, maar ze hadden geen monopolie. (4)


Met het vaststellen van een onderscheid tussen de agrarische samenlevingen aan de rand van Eurazië en Centraal-Eurazië ontstaat een opvallend dilemma: geschiedenis is grotendeels geschreven door de agrarische samenlevingen. Sinds de opkomst van geschiedschrijving als een zelfstandige discipline in de 19e eeuw lag de focus van historici vooral bij natiestaten. Vanuit het eurocentrische oogpunt van deze historici was Centraal-Eurazië een zwart gat waaruit op bepaalde momenten in de geschiedenis barbaarse ruitervolken binnenvielen. Zelfs als er wel aandacht was voor dit ‘zwarte gat’ was onderzoek praktisch onmogelijk doordat de volken van Centraal-Eurazië zeer weinig geschreven bronnen hebben achtergelaten en het gebied moeilijk toegankelijk was. Sinds de opkomst van de wereldgeschiedenis aan het einde van de 20e eeuw vond er een paradigmawisseling plaats. Immanuel Wallerstein en zijn vele navolgers introduceerden de wereld-systeemtheorie waarin Centraal-Eurazië van barbaarse leegte veranderde in het kloppende hart van het wereldsysteem. (5) De rol van Centraal-Eurazië in de wereldgeschiedenis gaat voorbij aan de schaal van deze scriptie, maar om de opkomst van de Mongolen te begrijpen is het noodzakelijk om de kern van deze theorie kort samen te vatten. Om dit te doen gaan we terug naar het jaar 1904, waarin Mackinder zijn invloedrijke artikel ‘The Geographical Pivot of History’ publiceerde, waarmee hij de basis legde voor de wereld-systeemtheorie van Wallerstein. (6) Mackinder vraagt zijn lezers om de geschiedenis van Europa als ondergeschikt te beschouwen aan de geschiedenis van Azië, want de Europese beschaving is de uitkomst van dreiging en conflict afkomstig uit Azië. (7) De eerder besproken definitie van Centraal-Eurazië zoals gedefinieerd door Denis Sinor bouwt voort op de hartland-theorie die Mackinder hier presenteert. Het Centraal-Euraziatische hartland wordt voor Mackinder voor een belangrijk deel gekenmerkt door ontoegankelijkheid vanuit de oceanen door middel van rivieren. Het grootste gedeelte van het hartland bestaat uit een systeem van interne drainage, waarbij de neerslag niet afwatert in de zee. De rivieren die er wel lopen monden uit in de Noordelijke IJszee en geven daardoor geen toegang tot de grote oceanen. Dit gebied, waar de steppe deel van uitmaakt, is het gebied dat droog is, afgezonderd van de oceanen en uitermate geschikt voor een nomadische levenswijze. In sterk contrast staan de kustgebieden van Eurazië, die worden gekenmerkt door bossen, rivieren en een uitstekende toegang tot de oceanen. Mackinder noemt dit de marginale landen, die allemaal te maken hebben gehad met dreigingen vanuit het hartland. Hieruit ontstaat zijn stelling dat mobiliteit op de oceaan de natuurlijke rivaal is van mobiliteit op het land door paarden en kamelen. (8) De nomaden van het hartland hadden het voordeel van de centrale positie, waardoor de marginale gebieden voor contact met elkaar van de nomaden afhankelijk waren. Hieruit volgt dat in periodes van eenheid op de steppe reizen over bijvoorbeeld de zijderoute makkelijker werd, waardoor contact en handel tussen de grote sedentaire staten toenam. Deze situatie verandert echter met de ontdekking van nieuwe zeeroutes rond Afrika, wat een overwinning betekende voor de kustgebieden tegenover het hartland en de strategische ligging van het hartland ondermijnde.

 

Het zal nu steeds duidelijker worden hoe het westerse beeld van de barbaarse ruitervolken is ontstaan. Zij kwamen uit een gigantisch zwart gat in het centrum van Eurazië waar een continue dreiging vanuit ging. Kennis van deze volken was er nauwelijks, alleen op momenten dat de sedentaire samenlevingen slachtoffer waren van aanvallen vanuit het hartland. Vanuit een groter perspectief blijkt echter dat alle agrarische samenlevingen zijn ontstaan en gevormd door deze dreiging en dat we gerust mogen spreken van een zwart gat dat het kloppend hart van het wereldsysteem was. Alle sedentaire uithoeken van Eurazië stonden met elkaar in contact via het hartland en gebeurtenissen in een uithoek van Eurazië konden via de steppe een kettingreactie veroorzaken waardoor de gevolgen in alle uithoeken te voelen waren. Grousset, die voor lange tijd het standaardwerk over de geschiedenis van Centraal-Azië op zijn naam had staan, toonde aan dat de inval van de Hunnen in Europa tot in India grote gevolgen had. (9) Recent is er ook steeds meer aandacht voor het fenomeen dat het Romeinse Rijk, het Parthische Rijk, het Kushanrijk in India en de Han-dynastie in China in dezelfde periode hun opkomst en ondergang beleefde en dat deze periode samenvalt met respectievelijk eenheid en verdeeldheid van de steppe onder de Xiongnu. (10) Toch kan het recent toenemend historische onderzoek naar dit fenomeen niet verhullen dat de geschreven bronnen afkomstig zijn van de sedentaire staten. Over de volken die Centraal-Eurazië bewoonden weten we bedroevend weinig. Enkele grote vragen die zijn ontstaan vragen naar de oorsprong van de ruitervolken, hoe grote stepperijken ontstonden en de dynamiek de er bestond tussen nomadische en sedentaire volken. Hoe meer men probeert antwoorden hierop te formuleren hoe meer de veelzijdigheid en complexiteit van de vragen bloot komt te liggen.

 

1. Anatoli Khazanov, Nomads and the outside world (Cambridge en New York 1984) 5.

2. Denis Sinor, ‘Rediscovering Central Asia’, Diogenes 51 (2004) 7-19.

3. Owen Lattimore, ‘The Geographical Factor in Mongol History’, The Geographical Journal 91 (1938) 1-16.

4. Ibidem, 5-6.

5. David Christian, ‘Inner Eurasia as a Unit of World History’, Journal of World History 5 (1994) 173-211.

6. Halford J. Mackinder, ‘The Geographical Pivot of History’, The Geographical Journal 23 (1904), 421-437.

7. Ibidem, 423.

8. Ibidem, 430-432

9. René Grousset, The Empire of the Steppes; A History of Central Asia (New Brunswick 1970) 32.

10. Andre Gunder Frank, The Centrality of Central Asia (Amsterdam 1992) 37-40.

 

Het boek begrijpt niet het buiten


Een Mongools spreekwoord luidt: ‘Een kat houdt van verse vis, maar hij zal nooit het water in gaan’. Waren er dus geen meesters die de vis serveerden, dan zou de kat een duik moeten nemen in zijn grootste angst. Doet hij dit niet, hij zal de smaak vergeten en verder leven met een onverklaarbaar en onbevredigbaar verlangen. Nu, laat mij niet de vis serveren noch de smaak doen vergeten met de geuren van gemak. Nee, laat mij u aansporen u te wentelen in uw diepste angst en kennis te maken met uw onverklaarbare verlangen. Dat verlangen waarvan gij nooit spreekt doch dat uw geest benevelt. Laat mij u verzekeren, u bent niet alleen. Het verlangen deelt u met mij en met de mensheid. Het verlangen naar de oorsprong.


Laat ons terugkeren naar de tuin van Eden. Want God zei: ‘van de boom der kennis van goed en kwaad zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven’ [gen 2:17] en sterven deed de mens! De straf Gods was niet slechts verbanning uit de tuin, nee! Het bewerken van de aarde waaruit doornen en distelen zullen voortkomen! ‘In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert’ [gen. 3:19].  Voorzeker een zware last! Voor immer verbannen uit de tuin, gedwongen om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was. Maar niet vergaten hun nazaten de oorsprong. Werd Abel niet de herder? Geen wonder, dat God het offer van Abel verkoos boven die van de landbouwer. Maar nu openbaart zich de geschiedenis, want de oprechtheid van de herder is niets tegenover het zwaard van de broederloze! Maar zie, ook de moordenaar wordt tot nomade in het zicht van God!

Laat mij u helpen te zien. Het heilige boek is er een van verlangen. Een verlangen naar Eden, naar de tuin en de oorsprong. Maar ach, steeds verder dwalen de mensen. En telkens weer verliest de zwerver van de gevestigde. Zie toch Isaac en Rebekka, tegen wie God zei: ‘Twee volken zijn in uw schoot, en twee natiën zullen zich scheiden uit uw lichaam’ [gen 25:23]. Esau de jager en Jakob de huisman. Het verhaal is geschiedenis, ik hoef het u niet te zeggen. Maar weet dit: Jacob vreesde Esau, die toch niets dan verzoenlijk was. Jacob worstelde met God en de jager. Hij won, doch verkreeg een eeuwig litteken [gen 32:25]. Jacob verdiende de naam Israël: de staat en de stad. En Jacob bedroog Esau, die verzoening wenste, en verliet hem.

Het verhaal is triest en ik wens niet verder te gaan. Maar toch: David, de herder die Goliath versloeg. Hij wilde een tempel bouwen, doch God sprak: bouw mij geen tempel, mijn huis is een tent [II sam 7].  Genoeg! Het doet mij pijn. God zei: tel niet het volk want zij is als de sterren, oneindig! En zie: het volk werd geteld en het andere volk niet [I kron 21]. Het getelde volk bouwde steden en versteende. Zij verloor haar oorsprong en deed wat kwaad was in de ogen des Heren. Nu dan, Jezus werd zwerver en stroomde als levend water, hij wist van de oorsprong en het kwaad. Doch evenals zo velen voor hem viel hij door het zwaard des keizers. En ach, had hij geweten dat zelfs de keizer zijn volgeling zou worden, hij zou treuren voor de mensheid. Dat wat oorsprong had in de zwervers en verlorenen werd staat en bedroog zichzelf.

 

Laat ons kijken naar de Koran. Want voorwaar, dit woord houdt de grootste waarheid in zich. Zij zag het kwaad maar verzette zich niet. Nee, vormde het! Niet riep het op tot de oorsprong want verzet is zwak. De oorsprong openbaarde zij in de stad. De Koran is vormloos, nomadisch! Zij verleidde de stad in zijn zwakte. Zij verwierp de gesloten structuur van de bijbel. Want voorwaar, de bijbel is als het schaken: de stukken en regels absoluut in een gesloten ruimte. Zo niet de Koran! Zij is als Go: de stukken relatief en situationeel in een open ruimte. Een spel van worden, niet van zijn! De Koran is een open kaart met oneindig veel  in- en uitgangen. Niet een boom maar een rizoom: Eden zelf!

 

Speel dan het spel, maak de taal waarachter zijn tekens! Niet volgens de regels van de gevestigde maar volgens de leegte. En uit de leegte komt verzet in alle vormen: weerloos en weergaloos.

Het boek begrijpt niet het buiten. De geschiedenis begrijpt niet het nomadisme. Laat ons dan vergeten de geschiedenis, de structuren, patronen, banaliteit! Weg met het bekende, ik roep u op te zwerven. Op zoek naar het onbekende! De vergeten plekken, het niets. Duik in het water en wentel u in de angst. Want de angst is de oorsprong, overschaduwd door een groteske fictie. Gij zijt een avonturier, een zwerver en een nomade.
Leef!

 

Vijf keizers


Elk boek is gevangen tussen twee kaften, opgesloten in ruimte en tijd. Slechts een enkelvoudige representatie van de werkelijkheid, losgerukt uit alle verbanden. De stroom van de geschiedenis is ongrijpbaar voor de toeschouwer, maar dat belet hem niet het verleden te structureren en van veelvouden enkelvouden te maken. De historicus, zich bewust van de onmogelijkheid van zijn taak, tracht enkele verbanden samen te voegen, enkele lijnen te tekenen om zo een virtuele werkelijkheid te scheppen. Een werkelijkheid die niets met het verleden te maken heeft, maar er is geen alternatief. Hoe is het mogelijk de opkomst van een groot rijk te verklaren? Men kan hoogstens enkele factoren uitlichten, losmaken uit alle verbanden om tot een interpretatie te komen. Wellicht dat alle interpretaties samen een beeld geven van het ontstaan van een rijk, maar het beeld dat ontstaat bestaat slechts in de virtuele realiteit van de geschiedschrijving. In dit essay wil ik kijken naar de opkomst van het Bulgaarse rijk op de Balkan, dat in de middeleeuwen een van de grootste en machtigste rijken in Europa was. Maar met de wetenschap dat feiten slechts enkelvoudige projecties zijn, laten zij me in de steek. Daarom volgt een ander verhaal, dat van individuen die bij hebben gedragen aan de stroom die tot de opkomst van het Bulgaarse Rijk hebben geleid. Zij zijn slechts fracties van de immense realiteit van de geschiedenis, atomen van de druppels in een machtige rivier. Maar als het doel van de geschiedenis is om het verleden te begrijpen en enkelvoudige feiten hiertoe weinig tot niets aan bijdragen, dan blijft slechts het individu over. Zij maken de geschiedenis, zij zijn de geschiedenis.


Amgalant schrok toen de sjamaan met een schreeuw op de grond viel. Hij zag hoe de sjamaan schokkend over zijn hele lichaam zijn stem verhief en het rijk van de vooroudergeesten betrad. Hoe zijn moeder geitenmelk over hem sprenkelde en hoe zijn vader trachtte zijn angst voor de komende strijd te verhullen met gefermenteerde paardenmelk. In vervoering gebracht door de sjamaan deed Amgalant een stap achteruit, struikelde en viel met een hard klap achterover in de ingang van zijn yurt. Het werd zwart voor zijn ogen en net als de sjamaan zag hij de geesten van zijn voorouders dansen.


Shih-pi khaghan ging met zijn hand door zijn haar, trok zijn bontjas strak om zich heen en besteeg zijn paard. De Chinese gezant keek met angstige ogen naar hem op, tranend van de ijzige wind die door het kamp raasde. Shih-pi khaghan keek minachtend op hem neer en gaf zijn paard de sporen. Met hulp van de Chinese Sui-dynastie had zijn vader de valse khaghan Tardu verslagen en was hij bij de gratie van Tengri de nieuwe khaghan van de Turken geworden. Voor het eerst in lange tijd waren de Turken verenigd. Shih-pi khaghan was echter anders dan zijn vader, die de Chinezen trouw was gebleven. Hij was zich bewust van zijn sterke positie en de afhankelijkheid van de Sui op zijn ervaren ruiters. De gezant had hem opgedragen keizer Sui Yang-ti te steunen in zijn militaire campagne tegen Korea. Shih-pi khaghan weigerde in de wetenschap dat dit het einde zou betekenen van de Sui-dynastie. Hij wist dat China zou afzakken in een burgeroorlog en terwijl hij over de zee van gras galoppeerde bedacht hij hoe hij rijk zou worden van de vele generaals die om zijn steun zouden komen vragen.


Keizer Li-Shih-min, zoon van Li Yüan en trotse heerser over het machtige China lag in het stof. Voor de vierde keer was het paard onder hem neergeschoten door een trefzekere doch iets afgeweken pijl. Voor de vierde keer zou hij een standbeeld laten maken van zijn paard en hij nam de dodelijke wond goed in zich op zodat zijn beeldhouwers deze zo accuraat mogelijk na konden maken. Hij lachte en dacht terug aan zijn jeugd in het noorden van China, waar hij zijn dagen doorbracht met boogschieten en paardrijden totdat de zwakke keizer Sui Yang-ti, die niets begreep van oorlogsvoering en het belang van allianties, door de nomaden werd verslagen. Zijn vader greep de wapens en vocht, net als zo vele generaals, voor de heerschappij over China. Nu, zo veel jaren later, heerste Li-Shih-min over de machtigste dynastie die China ooit had gekend. Liggend in het stof dat nog nooit eerder door Chinese voeten was aangeraakt keek hij toe hoe de laatste opstandige Turken werden vernietigd. Nu was hij echt Tengri Khagan, heerser over alle Chinezen en nomaden, ongeëvenaard in macht en rijkdom.


Keizer Heraclius stond op de hoge muren van Constantinopel en fantaseerde dat hij in de verte het grote islamitische leger aan zag komen. Hij was te oud om nog bang te zijn en had te veel oorlogen gezien om nog strijdlustig te zijn. Toch voelde hij zorgen opkomen over deze nieuwe dreiging. Geen van zijn voorvaderen had ooit een gelijksoortige dreiging meegemaakt en de oorlogsvoering van deze nomadische moslims was niet vergelijkbaar met alles wat hij had geleerd. Hij vreesde dat zijn legers niet sterk genoeg waren en gaf met enige tegenzin toe dat zijn hoop was gevestigd op één persoon. Kubrat was net als de moslims een nomade maar hing een god aan die zichzelf Tengri noemde en kwam van een volk dat zichzelf Bulgaren noemde. Heraclius zag grote potentie in deze Kubrat, die hij inmiddels als vriend was komen te zien. Die ochtend was Kubrat vertrokken om terug te keren naar zijn volk, dat zuchtte onder de heerschappij van de Turken. Weken daarvoor was er bericht gekomen dat de Turken een grote nederlaag was toegebracht door een machtig volk in het oosten. Kubrat had zich voorgenomen om zijn Bulgaren te verenigen en te bevrijden van de onderdrukkers. Heraclius had beloofd hem te steunen. Als Kubrat in zijn gevaarlijke missie zou slagen had Heraclius eindelijk een machtige bondgenoot tegenover de moslims.


Asparoech zag in de verte het blauw van de Danube glinsteren in het zonlicht. De schoonheid van de rivier stond in schril contrast met het slagveld dat zich ervoor uitstrekte, waar vandaag de dood heerste. Het onderscheid tussen vriend en vijand was weggevaagd in de grauwe massa van gevallen lichamen, waar slechts de vogels nog bewogen. Het was onvermijdelijk. Het machtige rijk dat zijn vader Kubrat had opgebouwd was geen partij voor de Chazaren, die geleid werden door de afstammelingen van de Turkse Khagans waar eens de Chazaren en de Bulgaren schatplichtig aan waren. Asparuch en zijn broers hadden moeten vluchten, ieder op zoek naar een nieuw thuisland. Nu, vele jaren later, had Asparuch de Byzantijnen verslagen en lag de Balkan voor hem open. In stilte bedankte hij Kalief Moe’awija, die door Constantinopel te belegeren de Byzantijnen had verzwakt en hem tijd had gegeven bondgenootschappen te sluiten met de Slavische volken die dit gebied bewoonden. Voordat hij zijn hoofd afwendde van het slagveld en zich opmaakte om de Balkan binnen te trekken bedacht hij dat dit het moment was waarop het Bulgaarse Rijk was geboren. Laat niemand ooit vergeten, dacht hij, dat in het jaar 680 de machtige Byzantijnen waren verslagen door hem, Asparoech, keizer van het Bulgaarse Rijk.


Knyaz Boris I van Bulgarije wist dat hij niet lang meer had te leven. Hij had er vrede mee. Hier, in de stilte van het klooster, zou zijn leven op deze aarde eindigen en zijn volgende leven beginnen. Hij dacht terug aan zijn jeugd, toen hij nog had geloofd in Tengri, de hemelgod van zijn voorouders, die niet zo heel verschillend was van de christelijke god waartoe hij zich had bekeerd. Hij hoopte dat zijn voorouders zijn keuzes zouden begrijpen. Er speelde een klein lachje om zijn mond, wetende dat hij zowel de paus als de patriarch van Constantinopel te slim af was geweest. Beiden hadden hem onder hun invloed willen brengen, maar Boris had na zijn bekering ervoor gekozen een autocefale Bulgaarse kerk op te zetten. Hoe gelukkig was hij geweest, dat hij in een goede bui de apostelen van Cyrillus en Methodius had verwelkomd. Terwijl hij zich voelde afglijden in de donkere afgrond van het eeuwig leven zag hij een grootse toekomst voor zijn Bulgaren en hij was tevreden met zijn bijdrage daar aan.


Mikhail spande zijn spieren om de pijn in zijn knieën te verdrijven. Opkijkend naar het luisterrijke altaar voelde hij niets dan ontzag voor God, hij had zich nog nooit zo klein gevoeld. Zijn gebed was klaar en terwijl hij zich omdraaide werd hij verblind door het zonlicht dat op het grote meer weerkaatste. Voor hem strekte zich de mooiste stad ter wereld uit, Jerusalem van de Balkan: Ohrid, hoofdstad van de Bulgaren. In vervoering gebracht door de trots die hij voelde voor deze prachtige stad liep hij de trap af en verliet hij de kerk, één van de 365 kerken die de stad rijk was. Alvorens zich naar huis te begeven tuurde hij voor de zoveelste keer in de verte, hopend deze keer wél een stofwolk boven de horizon te zien opstijgen. Ook deze keer bleef de horizon ononderbroken en weer ging een dag voorbij zonder dat zijn vader terug was gekeerd van de oorlog.